Marta werkte al twintig jaar in de verkeerstoren van een klein vliegveld in de bergen. Maar die nacht kwam om elf uur de mist opzetten, en het vliegveld moest sluiten. Alle vliegtuigen stonden aan de grond, behalve één.
In dat vliegtuig zat Ben, een leerling-piloot van negentien, tijdens zijn eerste nachtvlucht alleen. “Toren, ik zie de landingsbaan niet”, zei hij, en zijn stem trilde. Hij had brandstof voor vijfentwintig minuten. Het volgende vliegveld was te ver weg.
Marta sprak kalm. “Ik ben er, Ben. Je doet het goed. Vertel me over je hond.” Terwijl hij vertelde, pakte ze de telefoon. Ze belde de brandweer, de bagageploeg en de kok, en vertelde hun wat ze moesten doen. Even later reden elf voertuigen de landingsbaan op en stopten in twee lange rijen, met hun koplampen aan.
“Ben, kijk naar beneden. Zie je twee rijen lichten?” “Ik zie ze”, fluisterde hij. “Goed. Nu langzaam. Nog langzamer.” De wielen raakten de grond, en het kleine vliegtuig stopte tussen de lichten. Ben klom eruit, trillend en lachend, en de ploeg klapte in de mist. Marta glimlachte. “Welkom terug, Ben. Kijk de volgende keer het weerbericht.”