Yara, vijftien, en haar neef Adam, dertien, logeerden bij hun oma. Op een ochtend zei ze: โKoop alsjeblieft wat saffraan op de oude markt.โ Ze waren te trots om de weg te vragen, dus gingen ze uit elkaar.
Al snel waren ze allebei verdwaald in een doolhof van steegjes met zakken specerijen, koperen potten en roepende verkopers. Verschillende winkeliers hielpen hen, maar niet erg goed. Bij toeval kwamen ze allebei bij een piepklein theekraampje terecht. Een meisje dat Sara heette gaf hun hete thee, tekende een kaart op een servet en wilde geen geld.
Ze kwamen laat thuis, met de saffraan en een verhaal. Oma lachte. โIk heb met de oma van Sara op school gezeten!โ, zei ze.