Amina was plantkundige. Drie jaar eerder had een droogte bijna de oude zaden van haar dorp Tamba vernietigd. De grootmoeders hadden een paar handenvol bewaard in aarden kruiken.
Nu droeg Amina een kleine doos met die zaden: rode bonen, gierst en een kleine scherpe peper. De doos ging naar een kluis in een bevroren berg in het noordpoolgebied, waar zaden uit de hele wereld veilig worden bewaard. De reis duurde vier dagen, met boot, bus, vliegtuig en busje.
Een bewaker in een dikke jas schreef โTamba: bonen, gierst, peperโ in een boek en nam de doos met beide handen aan. Amina liep door de koude, stille tunnel tussen planken vol zilveren dozen. Ze voelde zich klein en vol hoop.
In het vliegtuig naar huis dacht ze: โAls er iets gebeurt, groeien de bonen van Tamba weer.โ