Drie jaar eerder had een droogte bijna de oude zaden van Tamba vernietigd, een dorp in de droge heuvels. De grootmoeders hadden een paar handenvol bewaard in aarden kruiken. Nu droeg Amina, een plantkundige van achtendertig, een kleine doos daarvan naar een kluis in een bevroren berg op een eiland in het noordpoolgebied, waar zaden uit de hele wereld veilig worden bewaard voor het geval van een ramp.
In de doos zaten rode bonen, die haar grootmoeder โde geduldigenโ noemde omdat ze jaren op regen konden wachten, gierst en een kleine scherpe peper die nergens anders groeit. De reis duurde vier dagen: een klein bootje over de rivier, negen uur in de bus, twee vliegtuigen en een busje door de sneeuw. Ze had nog nooit sneeuw gezien.
Bij de ingang schreef een bewaker in een dikke jas โTamba: bonen, gierst, peperโ in een boek en nam de doos met beide handen aan. Amina liep door de lange, stille tunnel. De planken werden op achttien graden onder nul gehouden en stonden vol zilveren dozen met zaden uit veel landen. Ze voelde zich klein en vol hoop.
In het vliegtuig naar huis dacht ze aan de grootmoeders en hun aarden kruiken. Als er ooit iets gebeurt, dacht ze, groeien de bonen van Tamba weer.