Ines was elf en had de zee nog nooit gezien. Haar opa Matteo, drieënzeventig jaar oud, had beloofd: “Als je elf bent, laat ik hem je zien.” Ze woonden in de heuvels, driehonderd kilometer van de kust, dus ze vertrokken op zijn oude tandem, een fiets met twee zadels. Matteo praatte over de zee als over een boek: “Hij is groot, hij is blauw, hij ademt.”
Het regende en een band liep leeg. Op de derde dag, op de grote bergpas, deed Matteo’s knie pijn, en hij zei dat ze terug moesten. “Nee”, zei Ines, en ze trapte voor twee.
Op de zesde dag moest Matteo op de laatste heuvelrug gaan zitten. Ines rende vooruit en hoorde, voordat ze iets zag, een lang, zacht geluid, als een grote ademhaling. “Opa, luister!” Ze klommen samen omhoog, en daar was hij, glinsterend tot aan de rand van de lucht.
“Ik moet je iets vertellen”, zei Matteo zacht. “Ik heb hem ook nog nooit gezien. Ik kende hem alleen uit een boek.” Ines lachte. “Dan zien we hem nu voor het eerst samen.” Hij trok zijn laarzen uit en liep het water in, juichend als een jongen.