Voor hun vijfentwintigjarig huwelijk boekte Marek, die tweeënvijftig was, een ballonvaart bij zonsondergang voor zichzelf en zijn vrouw Clara, die vijftig was. De piloot, meneer Roca, bracht hen om vijf uur vanaf een veld bij de stad de lucht in, en de stad werd een handvol speelgoedhuisjes. Marek had alles tot in de puntjes gepland; Clara had alleen gezegd dat ze in ballonnen zou geloven als ze er een zag.
Een half uur later draaide de wind. “Hmm”, zei meneer Roca, wat geen woord is dat een passagier van een piloot wil horen. De ballon dreef een uur lang over de heuvels en landde met een bons tussen de wijnstokken van een ver dal, midden in een druivenfeest. Er waren lange tafels, lampionnen en een accordeonband.
De boeren kwamen juichend aanrennen. Ze dachten dat Marek en Clara de verrassing van het feest waren. Ze gaven Clara een mand, Marek een hoed en een tros druiven en duwden hen naar een grote houten ton: “Stampen!” Meneer Roca bleef bij de ballon om zijn bestelwagen te bellen. “Ga, ga!”, zei hij.
Ze stampten druiven met paarse voeten, aten en dansten tot hun voeten pijn deden. Om middernacht bracht een tractor hen, paars tot aan hun knieën, naar de bestelwagen van meneer Roca op de weg. In de aanhanger zei Marek, kijkend naar de sterren: “De mooiste verkeerde afslag van ons leven.”