Karim is twaalf. Hij trekt met zijn opa Idris en vier kamelen door de woestijn. Idris zegt: โDe wind tekent op het zand. Houd de wind op je linkerwang.โ Er komt een zandstorm. Idris is ziek en valt van zijn kameel. โKarim, jij moet ons leidenโ, zegt hij.
Karim bindt de kamelen in een rij aan elkaar. Hij loopt de hele nacht. De wind is op zijn linkerwang. 's Ochtends ziet hij palmbomen. De oase! โWie heeft jou dat geleerd?โ, vraagt Idris. โU, opa.โ