Karim was twaalf en hij trok met zijn opa Idris en vier kamelen door de woestijn. Op de eerste dag zei Idris: โDe wind tekent op het zand. Houd de wind op je linkerwang, dan loop je naar het water.โ
Op de tweede dag kwam er een zandstorm. Het zand verborg de zon. Idris had koorts en viel van zijn kameel. โKarimโ, fluisterde hij, โnu moet jij ons leiden. Je kunt de sterren niet zien. Lees het zand.โ
Karim bond de kamelen in een rij aan elkaar en bond zijn opa vast op de eerste. Hij liep de hele nacht met de wind op zijn linkerwang. Voor het ochtendgloren ging de wind liggen, en hij zag palmbomen. Het was de oase! Idris deed zijn ogen open. โWie heeft jou geleerd om in een storm te lopen?โ โU, opaโ, zei Karim. โU zei dat ik nooit luisterde. Ik luisterde wel.โ