Karim was twaalf en hij trok met zijn opa Idris, een oude gids die elke duin bij naam kende, en vier kamelen door de woestijn. Op de eerste dag zei Idris: โDe wind tekent op het zand. Houd de wind op je linkerwang, dan loop je naar het water.โ Karim was moe en had het warm en luisterde maar half, zoals jongens doen als hun iets belangrijks wordt verteld.
Op de tweede dag kreeg de lucht in het noorden de kleur van oud messing. โEen zandstormโ, zei Idris. โBedek je gezicht.โ De wind loeide en het zand verborg de zon. Idris had al twee dagen koorts, en nu gleed hij van zijn kameel, te zwak om overeind te komen. โKarimโ, fluisterde hij, โjij moet ons leiden. Je kunt de sterren niet zien. Lees het zand.โ
Karim was doodsbang. Maar hij bond de vier kamelen in een rij aan elkaar, hielp zijn opa op de eerste en bond hem vast met een sjaal. Toen liep hij. De hele nacht hield hij de wind op zijn linkerwang en keek hij naar de rimpelingen in het zand bij zijn voeten, elk een klein bewijs dat de wind niet van gedachten was veranderd. Telkens als zijn moed hem in de steek liet, telde hij zijn stappen, en hij stopte niet, hoewel de wereld was gekrompen tot een paar meter brullend bruin.
Voor het ochtendgloren ging de wind liggen en trok de lucht open. In het eerste licht zag Karim de groene toppen van palmbomen: de oase! Vrouwen bij de put gaven hun water. Idris deed zijn ogen open. โWie heeft jou geleerd om in een storm te lopen?โ, vroeg hij. โU, opaโ, zei Karim. โU zei dat ik nooit luisterde. Ik luisterde wel.โ