Dina, die vijftien was, en Ivo, die veertien was, zaten in de natuurkundeclub van school, samen met vijf andere kinderen en hun lerares, mevrouw Okonkwo. Ze bonden een camera en een parachute aan een grote ballon. Op zaterdag telden de kinderen af, en de ballon steeg op naar de wolken.
Een uur later viel het signaal weg. De ballon was heel hoog en barstte. De kinderen stapten in de oude bestelbus van de lerares en zochten urenlang. Om vier uur vonden ze een witte doos in een koolveld. Een oude boerin, mevrouw Dolan, zat ernaast. โIs dit van jullie?โ, vroeg ze. โMijn koe probeerde de parachute op te eten.โ
Op school bekeken de kinderen de foto's. Ze zagen wolken, een donkere lucht en een dunne blauwe lijn: de rand van de aarde. De laatste foto toonde de enorme neus van een koe. Iedereen lachte.