Elke lente houdt het dorp op de heuvel een kaasrace. Een grote ronde kaas rolt van de heuvel af, en wie hem het eerst vangt, wint hem en de Gouden Lepel. Dit jaar gleed de burgemeester uit en liet hem los voor het fluitsignaal.
De kaas rolde door de markt, de bakkerij in via de voordeur en er weer uit via de achterdeur. Daarna rolde hij de trap af naar de haven. Vierhonderd mensen renden erachteraan: de bakker, de postbode, drie oma's en de burgemeester.
Ada was acht en te klein om hard te rennen. Ze zei: โKaas rolt naar beneden, dus hij blijft liggen op de laagste plek: het eind van de pier.โ Ze ging daar zitten met haar rode bolderkar. De kaas knalde in de kar en bleef staan. Ada won de Gouden Lepel en sneed de kaas in vierhonderdeen stukken.