Luca had een klein restaurant met tien tafels, en het verloor geld. Op een donderdag kwam er een inspecteur van de restaurantgids, voor het eerst in tien jaar. Die ochtend werd Luca wakker met een verstopte neus. Hij rook zijn koffie niet, en tegen de middag proefde hij zelfs zijn eigen soep niet.
Bea, een meisje van vijftien, waste in het weekend de pannen en rook altijd aan de koekenpannen. โProef ditโ, zei Luca. โEr moet meer zout inโ, zei Bea. โEn de saus is te scherp.โ De hele middag proefde ze alles voor hem.
Om acht uur at de inspecteur, een kleine, stille man, elk gerecht op. Daarna vroeg hij naar de kok. โIk kon vandaag niets proevenโ, zei Luca. โMijn afwashulp deed het.โ De inspecteur glimlachte. โDat weet ik. Ik zag haar door de keukendeur.โ Het restaurant kreeg zijn ster.