Luca, een man van vijfenveertig, had een klein restaurant met tien tafels, en het verloor geld. Vanavond zou er een inspecteur van de restaurantgids komen, voor het eerst in tien jaar, en de sterren die hij gaf, zouden bepalen of het restaurant het zou overleven. Maar donderdagochtend werd Luca wakker met een verstopte neus en rook hij zijn koffie niet. Tegen de middag proefde hij zijn eigen soep niet meer. Zout, citroen en peper smaakten allemaal naar niets.
Bea, een meisje van vijftien, waste in het weekend de pannen en rook altijd aan de koekenpannen. Wanhopig zei Luca: “Proef dit.” Ze zei meteen: “Er moet meer zout in. En de saus is te scherp.” Hij haatte het om door een tiener verbeterd te worden, maar de hele middag liet hij haar alles proeven: de soep, de gebakken vis, de appeltaart.
Om acht uur ging een kleine, stille man in een grijze regenjas aan tafel vier zitten en at zwijgend, het ene gerecht na het andere. Aan het eind vroeg hij naar de kok. “Ik kon vandaag niets proeven”, zei Luca eerlijk. “Ik dank dit diner aan mijn afwashulp.” De inspecteur glimlachte. “Dat weet ik. Ik zag haar door de keukendeur.” Het restaurant kreeg zijn ster.
Op zondag was Luca’s neus weer vrij. Hij proefde de soep en zei: “Te veel citroen.” “Dat weet ik”, zei Bea. “Je zei dat je het zo lekker vond.”