De oude torenklok in een klein bergstadje had een vreemde gewoonte. Elke nacht om precies 3:07 stond hij stil, en elke ochtend moest de klokkenmaker, meneer Varga, alle trappen op klimmen om hem weer aan de gang te krijgen. De burgemeester, die er een hekel aan had om te laat te komen, klaagde bij iedereen die het wilde horen.
Nina, die tien was en erg nieuwsgierig, besloot het raadsel zelf op te lossen. Op een koude nacht nam ze een zaklamp en een thermosfles warme chocolademelk mee en verstopte zich op het plein. Urenlang gebeurde er niets. Toen, vlak na 3:06, hoorde ze een zacht gekras. Een magere grijze kat kroop door een kapot raam in de toren. Ze liep door het uurwerk, ging op het zware gewicht van de slinger zitten en een ogenblik later stond de klok stil.
Nina glimlachte. Ze joeg de kat niet weg. In plaats daarvan vroeg ze meneer Varga om een mand, en samen repareerden ze het raam en zetten ze een zacht kussen naast de slinger. Vanaf die nacht liep de klok altijd precies goed, en het hele stadje noemde de kat Minuutje.