In de Havenstoren had de lift regels. Niemand had ze opgeschreven, maar iedereen kende ze. Regel één: kijk naar de cijfers. Regel twee: praat nooit. Regel drie: kijk nooit iemand aan.
Op een maandag om acht uur tweeënvijftig bleef de lift steken tussen de zevende en de achtste verdieping. Er waren zes mensen in: Dev, een jonge stagiair, met een dienblad vol koffie, mevrouw Fischer, de boekhoudster, met haar rekenmachine, meneer Landau, de baas, Gloria, de schoonmaakster, met haar karretje, Rafi, een koerier met een helm onder zijn arm, en de oude meneer Abel, die een plant naar zijn dochter bracht.
Vijf minuten lang hielden ze zich letterlijk aan de regels. Niemand zei iets, niemand keek naar iemand, en de liftmuziek bleef maar dezelfde vrolijke melodie spelen.
Eindelijk zei Rafi, die niet in het gebouw werkte en er dus niets aan verschuldigd was: “Haat nog iemand dit liedje?”
Stilte. Toen fluisterde mevrouw Fischer: “Elke dag.” “Al elf jaar”, zei Gloria. “Ik hoor het in mijn slaap”, zei Dev. Iedereen draaide zich om naar meneer Landau, die met grote belangstelling naar het plafond keek. “Ik heb het uitgekozen”, zei hij eindelijk. “Een man van het muziekbedrijf zei dat het mensen blij zou maken.” Toen begon hij hulpeloos te lachen, en alle anderen ook.
Ze begonnen te neuriën en daarna mee te zingen, heel vals, en meneer Abel zong met een diepe stem en hield zijn plant vast als een microfoon. Dertig minuten later gingen de deuren open op de achtste verdieping en liepen ze als vrienden naar buiten.
De volgende ochtend neuriede Dev in de lift het liedje. Gloria viel in, toen mevrouw Fischer, toen meneer Landau, terwijl de nieuwe passagiers naar hen staarden. Regel vier: neuriën.