Yusuf was elf toen hij met zijn moeder, die daar werk had gevonden, naar een nieuw land verhuisde. Op zijn eerste schooldag begreep hij ongeveer één woord van de tien. In de kantine wilde hij zeggen: “Ik heb honger.” In plaats daarvan zei hij tegen de kantinemevrouw: “Ik ben een broodje.” Ze keek hem vreemd aan en gaf hem een augurk.
Elke avond leerde Yusuf vijf nieuwe woorden en plakte hij briefjes op de dingen in het appartement: deur, raam, lepel, waterkoker. In de klas zat een meisje dat Mia heette naast hem. Ze praatte heel snel, maar als hij de draad kwijt was, maakte ze geduldig tekeningen voor hem. Thuis oefende zijn moeder ook, en trots zei ze goedemorgen tegen de hele bus.
Na twee maanden zei de juf dat elk kind vrijdag een minuut zou praten. Yusuf oefende voor de badkamerspiegel. Op vrijdag trilden zijn knieën. Hij ging voor de klas staan, zei zijn naam en toen, met eenvoudige woorden: “Op de eerste dag wilde ik zeggen: ik heb honger. Ik zei: ik ben een broodje.”
Een seconde lang bewoog niemand. Toen lachte de hele klas, en Yusuf zag dat ze met hem lachten, niet om hem. Het was zijn eerste grap in de nieuwe taal. “Zeg het nog eens!” riep Mia. In de kantine legde de mevrouw een tweede augurk op zijn dienblad. “Voor het broodje”, zei ze.