In een winterbos waren de nachten lang en donker. Op een avond nam een vos de lantaarn van de houthakker van de spijker bij zijn hut. Hij droeg haar naar zijn hol, heel trots. Niemand anders had licht.
De andere dieren struikelden in het donker. De egel viel in een sloot, en de uil botste tegen een tak. De vos hoorde hen, maar hij deelde niet.
Na drie nachten leek het licht klein in het hol. In de vierde nacht raakte de olie op, en het was donkerder dan eerst.
โs Ochtends legde de beschaamde vos de koude lantaarn voor de voeten van de houthakker. โZe had dorstโ, zei de houthakker. Hij vulde haar met olie en hing haar op bij het kruispunt, waar elk dier haar kon zien. De hele winter zat de vos eronder met de anderen.