Mara vond de sleutel in de zak van de wintermantel van haar oma, een oud ding van messing, glad geworden door jarenlang gebruik. Haar oma was in de lente overleden en niets in huis leek bij de sleutel te passen. Toch kon Mara het niet over haar hart verkrijgen hem weg te gooien.
Die avond nam ze de laatste veerboot over de baai. Ze draaide de sleutel tussen haar vingers en keek hoe de lichten van de haven voorbijgleden, toen ze merkte dat de oude man tegenover haar precies hetzelfde deed. Zijn sleutel was identiek aan de hare. โWaar hebt u die vandaan?โ, vroeg hij zachtjes. โUit de jas van mijn omaโ, zei Mara. De oude man sloeg zijn ogen neer en glimlachte. โDan bent u haar kleindochter. Ik heet Aldo. Uw oma en ik waren beste vrienden toen we kinderen waren. Zestig jaar geleden hebben we een houten kist onder de oude pier opgesloten en beloofd hem te openen als we allebei oud waren.โ
De volgende ochtend, bij eb, liepen ze samen over het natte zand en vonden de kist. Erin zaten twee kleine papieren bootjes en een briefje: โWe zeilen weer.โ Aldo lachte en huilde tegelijk. Mara scheurde een bladzijde uit haar schrift, vouwde een nieuw bootje en samen lieten ze het varen.