Samuel Osei reed al dertig jaar met een stadsbus, en hij kende elke straat uit zijn hoofd: de buslijnen, de kleuren van de borden. Wat hij niet kon, was één woord lezen. Hij had het zijn hele leven verborgen met een handigheid waar elke spion jaloers op zou zijn, en als iemand hem een briefje gaf, had hij een zin klaar: “Ik ben mijn bril vergeten. Kunt u het voor me lezen?”
Op een ochtend kwam er een brief van zijn kleindochter Grace, die negen was en in een andere stad woonde. Ze had een groot, rond handschrift. Samuel hield de envelop lang vast. Toen stopte hij de brief in de zak van zijn jas en droeg hem daar eenendertig dagen mee rond. Bij elk rood licht haalde hij hem tevoorschijn en keek ernaar, alsof hij kon gaan praten, en dan stopte hij hem weer weg, en het licht sprong om, en de bus reed verder, een beetje zwaarder dan eerst.
Op de eenendertigste dag zag hij een poster in de busgarage: “Gratis avondleesles. Dinsdag om zeven uur.” Hij reed drie keer langs de school, een man die elke straat van de stad kon vinden en geen deur. De vierde keer ging hij naar binnen en ging helemaal achterin zitten. De lerares, mevrouw Lindqvist, keek hem aan alsof ze hem altijd had verwacht. “In dit lokaal is iedereen met de eerste letter begonnen”, zei ze. “Niemand hier loopt achter.”
Na vier maanden ging Samuel aan zijn keukentafel zitten, haalde de brief tevoorschijn, zacht als stof van het dragen, en las hem hardop voor, langzaam, met zijn vinger onder elk woord: “Lieve opa, ik heb een tand verloren. Wanneer kom je? Ik laat hem zien. Liefs, Grace.” Hij las hem drie keer, zoals je water drinkt na een lange wandeling. Toen pakte hij een pen en schreef zijn eigen antwoord, letter voor letter, zorgvuldig. Het kostte hem een uur. “Lieve Grace, ik kom zaterdag. Ik heb ook iets om jou te laten zien.”