Anya neemt een nachttrein. Op het eerste station kijkt een lange man in een grijze jas naar haar. Later is hij in de restauratiewagen. Later is hij in de gang. Anya is bang. Ze gaat twee keer op een andere plaats zitten, maar de man is er weer.
Vroeg in de ochtend stopt de trein. Anya rent over het perron. Iemand rent achter haar aan. โMevrouw, wacht!โ Het is de man! Hij heeft haar portemonnee. โU liet hem vallen op het eerste stationโ, zegt hij. Anya lacht.