Anya was vierentwintig en ze nam de nachttrein naar de stad van haar zus. Op het eerste station stond een lange man in een grijze jas op het perron en keek naar haar.
Een uur later zat hij in de restauratiewagen. Om middernacht stond hij in de gang. Later stond hij voor haar coupรฉ. Anya ging naar een andere wagon, en daarna naar nog een, maar de grijze jas kwam terug. Ze vertelde het aan de conducteur, meneer Berg. โIk hou hem in de gatenโ, zei hij.
Om 5.40 uur 's ochtends stopte de trein. Anya haastte zich over het perron. Achter haar rende iemand. โMevrouw! Mevrouw, wacht!โ Ze rende harder. Toen raakte een hand haar arm. Het was de man, en hij hield een kleine groene portemonnee vast. โU liet dit vallen op het eerste stationโ, zei hij. โIk ben door elf wagons gelopen en mijn voeten doen pijn.โ Anya lachte.