De twee mannen die burgemeester van een klein dorp wilden worden, praatten maar over รฉรฉn ding: parkeren. Ze praatten er elke dag over, en iedereen was het zat. Voor de grap hingen een paar tieners posters op van meneer Snor, de kat van de bakker. โStem op Snor!โ, schreven ze.
Op de dag van de verkiezingen waren de dorpelingen de ruzie zo zat dat ze stilletjes op de kat stemden. Hij won met 212 stemmen verschil. Er was een serieuze ceremonie, en meneer Snor droeg een heel klein lint.
De nieuwe burgemeester nam sommige besluiten door op de papieren te slapen. De vergaderingen waren nu om vijf uur klaar, zodat iedereen kon eten. Er stond een viskraam op het plein. En niemand maakte nog ruzie, want je kunt niet boos zijn op een kat op tafel.