Een dorp heeft verkiezingen. Er zijn twee mannen. Ze praten over parkeren. Ze praten en praten. De jongeren lachen. Ze hangen een poster van een kat op. De kat heet meneer Snor. Hij is de kat van de bakker.
Op de dag van de verkiezingen stemmen de mensen op de kat. Hij wint! Nu slaapt de burgemeester op het bureau. De vergaderingen zijn om vijf uur klaar. Niemand is boos. Je kunt niet boos zijn op een kat.