Een plotselinge sneeuwstorm verraste vier wandelaars op de berg: Ida, een verpleegster; Jonas, een student; zijn zusje Pia, die negen was; en meneer Lee, een gepensioneerde leraar. Ze vonden een piepkleine hut met een houtkachel, een kaars en een kaartspel.
Ze hadden allemaal maar een beetje eten bij zich: noedels, een ui, een bouillonblokje en wat kaas. Samen kookten ze een groot avondeten. Daarna speelden ze kaart, vertelden verhalen en lachten tot middernacht.
Bij zonsopgang hield de sneeuw op en de lichten van een reddingsteam kwamen het pad op. โLaten we hier weer afsprekenโ, zei meneer Lee. Iedereen was het ermee eens. De zomer daarna lagen er weer vier slaapzakken in de hut.