In de lente trok de familie Moreno in naast meneer Haddad. Hij was een oude man van zeventig, streng, die nooit goedemorgen zei, en achter een hek dat twee keer zo hoog was als de kinderen hield hij een perfecte tuin. Vanuit hun raam zagen Lila, die negen was, en haar broertje Finn, die zes was, alleen de toppen van de zonnebloemen en een paar rode tomaten, als een land waar ze niet in mochten.
Op een zaterdag vloog Finns rode bal over het hek. De kinderen daagden elkaar uit om bij meneer Haddad aan te bellen. Hij deed het hek open met over elkaar geslagen armen. “De bal ligt in de tomaten”, zei hij. “Je mag hem pakken, als je voorzichtig bent. Loop op de stenen.”
Lila liep op de stenen, vond de bal en raakte niets aan. De tuin rook naar bladeren en warme aarde. De volgende dag vloog de bal weer over, “per ongeluk”. Meneer Haddad zei niets. Maar de dag daarna stond het zijpoortje, dat altijd op slot was geweest, open. Ernaast stond een emmer water met een briefje: “Voor de tomaten. Zes uur.”
In juli gaven de kinderen elke avond de tuin water, en meneer Haddad leerde hun dat een tomaat rijp is als hij zonder trekken in je hand loskomt. Lila at de eerste, nog warm van de zon, en zei dat hij naar juli smaakte. Meneer Haddad keek weg, maar hij glimlachte, en Finn zag het.
Aan het eind van de zomer was het poortje een klein blauw deurtje geworden, door alle drie geverfd. En de volgende ochtend zei meneer Haddad voor het eerst in de geschiedenis van de straat als eerste “Goedemorgen”.