Het was midden in de nacht op de chirurgische afdeling, en Amara, de nachtzuster, deed haar ronde. De meeste patiënten sliepen, maar in kamer twaalf brandde nog licht. Meneer Costa, een oude visser, lag met wijd open ogen in bed. “Ik kan niet slapen”, gaf hij toe. “Morgen word ik geopereerd en ik blijf er maar aan denken.”
Amara had hem een slaappil kunnen aanbieden. In plaats daarvan trok ze een stoel naar zijn bed en ging zitten. “Vertelt u me over de zee”, zei ze. Zijn gezicht veranderde. Hij begon te vertellen over de dageraad op het water, de geur van zout en natte netten, en zijn boot, die Maria heette. Amara dimde het licht en luisterde, en terwijl hij praatte voelde ze zijn pols en beschreef ze hoe golven tegen een romp klonken.
Midden in een zin viel hij in slaap. Om zeven uur kwam de dagdienst. Amara was uitgeput. Op het dienblad van meneer Costa vond ze een klein briefje in een zorgvuldig handschrift: “Dank u wel voor de zee.”