Elke herfst hield het dorp een groot diner op het plein, de Lange Tafel, en bakkerin Selma moest er driehonderd broden voor bakken. Op een avond om zes uur barstte haar grote oven met een harde knal. De rook vulde de winkel, en de reparateur kon pas maandag komen.
Selma ging op een zak meel zitten. Haar kleindochter Lotte, die tien was, rende naar buiten en luidde de schoolbel. De buren kwamen. โWie heeft een oven?โ, vroeg Selma. Iedereen had er een! Ze sneed het deeg in stukken, en iedereen nam een emmer mee naar huis.
De hele nacht bakte het dorp brood. Kinderen fietsten rond met warme broden in theedoeken. 's Ochtends lag de Lange Tafel vol brood. Selma proefde een stuk. โDit is niet mijn broodโ, zei ze. โNee, omaโ, zei Lotte. โHet is ons brood.โ