Elke ochtend voor zonsopgang veegde Joon de hoofdstraat. Niemand zag hem, maar hij kende de stad aan haar geluiden: de eerste oven van de bakker, het krantenbusje en de snelle stappen van de verpleegster. Hij veegde voorzichtig om een slapende hond heen. Als hij een verloren portemonnee vond, bracht hij hem naar het politiepostje.
Op een ochtend vond hij een papieren bekertje hete koffie op zijn bankje. Er lag een briefje bij: โVoor de persoon die onze stad schoonhoudt, van kamer 4B.โ Joon dronk de koffie, veegde langzamer en glimlachte. De volgende dag stond er nog een bekertje, en een tekening van een kind.