Dilara’s vader, Hasan, was acht maanden eerder gestorven, en nu runde ze zijn kleine restaurant. Elke dinsdagochtend zat meneer Yilmaz aan de tafel bij het raam. “Het dinsdaggerecht”, zei hij, “zoals uw vader het maakte.”
Het stond niet op de kaart en ook niet in de schriften van haar vader. Op de eerste dinsdag kookte ze een stoofpot. Hij was te zout. Op de tweede dinsdag vroeg ze het de buren. Hij was te droog. Op de derde dinsdag was hij te zoet. Elke keer at meneer Yilmaz de helft en zei: “Dank u. Tot volgende dinsdag.”
Op de vierde dinsdag sloot Dilara de schriften. Ze dacht aan de handen van haar vader en aan de geur van uien met een beetje kaneel. Ze kookte uit haar hoofd.
Meneer Yilmaz proefde en zweeg lang. Toen zei hij: “Niet precies hetzelfde. Maar toch hetzelfde.”