Acht maanden eerder was Dilaraโs vader, Hasan, gestorven, en nu runde ze zijn kleine restaurant met zes tafels alleen. Elke dinsdag om tien uur ging meneer Yilmaz, een stille man van tachtig die al dertig jaar elke dinsdag kwam, aan de tafel bij het raam zitten en zei: โHet dinsdaggerecht, zoals uw vader het maakte.โ
Het stond niet op de kaart en ook niet in de schriften van haar vader. Op de eerste dinsdag zocht ze de hele nacht in de schriften en kookte een stoofpot, maar die was te zout. Op de tweede dinsdag vroeg ze het de buren, de bakker en de slager en kookte wat zij zeiden, maar het was te droog. Op de derde dinsdag probeerde ze een recept van internet, maar het was te zoet. Elke keer at meneer Yilmaz de helft, betaalde en zei alleen: โDank u. Tot volgende dinsdag.โ
Op de vierde dinsdag sloot Dilara de schriften. Ze ging met gesloten ogen bij het fornuis staan en dacht aan de handen van haar vader, aan de geur van langzaam gebakken uien met een beetje kaneel, aan de manier waarop hij roerde, altijd van de rand naar het midden. Ze kookte uit haar hoofd.
Meneer Yilmaz proefde en zweeg lang. Toen zei hij: โNiet precies hetzelfde. Maar toch hetzelfde.โ Dilara begreep dat het gerecht nooit een recept was geweest.