Tess kocht een oud, smal huis met een blauwe deur. Onder een losse plank op zolder vond ze een blik met een bruine foto van elf mensen op de trap voor haar eigen huis: mannen met hoeden, vrouwen in lange rokken, een baby, een hond. Op de achterkant stond met potlood: โWe zijn met z'n twaalven. Zoek de twaalfde.โ Ze telde telkens opnieuw en kwam steeds op elf.
De buren wisten niets. Toen hield meneer Hale, die vierentachtig was en op nummer negen woonde, de foto lang dicht bij zijn gezicht. โDat zijn de Rowesโ, zei hij ten slotte. โZe hadden twaalf kinderen. Kleine Maud verstopte zich altijd als er een camera tevoorschijn kwam. Ze was te verlegen.โ
Tess bestudeerde de foto met een vergrootglas. In het raam boven de deur was een klein bleek gezicht en een hand tegen het glas gedrukt. Ze klom naar zolder en vond hetzelfde raam, en op de vensterbank, onder de verf gekrast, de letters M.R.
Meneer Hale zei dat Maud op haar veertiende ver weggetrokken was. Tess schreef naar het enige adres dat hij had. Er ging een maand voorbij zonder antwoord. Toen stond er op een zaterdagochtend een oude vrouw van bijna tachtig op de stoep naar het huis te kijken zoals je naar een gezicht kijkt. Het was Maud. Ze klom naar zolder en raakte de letters met รฉรฉn vinger aan, en meneer Hale, die ooit kiezelstenen tegen dat raam had gegooid, kon amper praten.
Tess maakte een nieuwe foto op de trap: zijzelf, meneer Hale en negen buren, elf in totaal. In het raam boven stond Maud, die zich deze keer niet verstopte maar zwaaide en lachte naar de hele straat. โWe zijn met z'n twaalvenโ, zei Tess.