Lena had de koffiekiosk op station Olmenstraat, en ze verkocht ook paraplu’s, uit een rek naast de bank. Op elke regenachtige dag verdween er rond half vier een paraplu. De volgende droge ochtend hing hij weer aan zijn haak, opgevouwen, met een klein briefje: “Geleend, met dank.”
Na elf regendagen dacht Lena: “Een dief met goede manieren!” Ze wilde weten wie het was, dus bond ze een belletje aan een felroze paraplu. Op de volgende regendag rinkelde het belletje om half vier. Lena rende naar buiten en volgde het geluid over de straat naar het schoolhek.
Daar bracht de oude meneer Petrov, de gepensioneerde stationschef, onder de roze paraplu kinderen zonder paraplu naar de bus, twee tegelijk. “Ik was achtendertig jaar stationschef hier”, zei hij. “Ik kan het niet aanzien als een kind nat wordt bij een station.”
Lena had de politie kunnen bellen. Dat deed ze niet. De volgende dag hing ze een bord aan het rek: “Gratis paraplu’s. Breng ze terug als ze droog zijn.” En ze gaf de roze paraplu aan meneer Petrov.